

Een jeugd in Jericho, een warme buurt
In onze ontdekkingsreis met verhalen van (oud) bewoners van Jeruzalem en Jericho, komen we aan bij Riny Janssen, opgegroeid in een bijzonder gezin en vooral in een warm en vriendschappelijk Jericho, in de jaren 50 en 60.
Riny is geboren in Leiden, maar opgegroeid in Amersfoort. Het gezin met zes kinderen woonde in het hoekhuis aan het Mastpad in Jericho. Het was best vol in huis, met z’n achten. Vader was KNIL militair, moeder ook Indisch. In ’49 zijn ze naar Nederland gekomen vanuit Indonesië.

Strenge vader
Riny vertelt: “Het hadden wel tien kinderen kunnen zijn. Er kwam om het jaar een broertje of zusje bij. Het huis was nieuw toen we er kwamen wonen. Ik herinner me nog dat ik in de box stond. Wij sliepen met de jongens boven, in stapelbedden. Mijn ouders sliepen in een heel smalle kamer, in een soort twijfelaar. De meisjes sliepen aan de voorkant. Er was een badkamertje van 1 x 2 meter met daarin een lavet. [Opm: Een lavet houdt het midden tussen een gootsteen en een badkuip en werd vooral in de jaren vijftig en jaren zestig van de 20e eeuw toegepast in de sociale woningbouw.] Daar moest je in klimmen. Moeder deed daar ook de was in. Dat was best veel, met al die kinderen. Al die luiers. Ook in de winter als het koud was hing mijn moeder de was buiten, die stijf bevroor dan. Dat kende ze niet als Indonesische. De huizen waren niet geïsoleerd, tegen de kou deden we veel dekens om ’s winters. Alleen beneden werd het verwarmd. We werden als kind ook beneden in een teil gewassen, allemaal achter elkaar, in hetzelfde water. Warm water kwam uit een geisertje in de keuken, met stadsgas. Alles werd wel vies van het rookgas. We hadden een houten vloer, dan stukje beton, een dak van hout met zachtboard, maar geen zolder. De woonkamer was klein en dan een heel klein keukentje. Ik keek later eens keer ergens naar binnen en dacht “is dat zo klein?”. In de keuken stond een petroleumkachel, later een gaskachel, want mijn moeder had het altijd koud. Er stond altijd wel een pannetje te pruttelen op dat kacheltje. We hadden ook een kleine kelder, daar lag vaak een mud aardappelen. In de winter als het water van de Eem steeg, stond die kelder onder water. En als je stout was geweest, werd je daar opgesloten. Ik niet. Vader was wel erg streng.”
Een Indisch verleden
Veel mensen die uit Indië naar Nederland kwamen, hadden een hele, vaak niet goede, geschiedenis achter de rug. Zoals internering in Jappenkampen. Zo ook de vader van Riny.
“Grijs bestond niet bij mijn vader. Het was altijd ‘ja’ of ‘nee’. Hij wilde vooral dat ik weerbaar was, vechtsport ging doen. Ik ging op judo en heb dat zeker dertig jaar gedaan. Het Jappenkamp had hem veranderd. In Nederland is hij tot zijn pensioen bij de luchtmacht geweest. Er waren in de buurt meer mensen uit Indië. Veel oud-militairen. We hadden wel een kleurtje, maar ik kan me niet herinneren ooit gediscrimineerd te zijn. Mijn moeder was niet zo handig met geld, die had een heel groot gat in haar hand. Ze was het niet gewend. Ik moest vaak boodschappen doen, in de buurt bij de VéGé van Van Dam. Daar kon je je boodschappen laten opschrijven. Maar het moest natuurlijk later wel allemaal afgerekend worden. Daar was wel eens gedoe over. Wij konden goed eten. Er was altijd eten. Als kind hield ik niet zo van dat Indische eten. Die gele eieren vond ik niets. Door de week eten we Hollands, aardappels, vlees, groente. Zaterdags brood en zondags Indisch. Daar was mijn moeder zaterdag al mee bezig. Er kwamen ooms en tantes eten en was de woonkamer stampvol. Een half uur later was alles op. Mijn ouders rookten, ik nooit. Ik heb toen ook nooit gedronken, ik trainde, ik kende dat niet. Ik ging later tennissen, toen ben ik bier gaan drinken.”
“Mijn vader heeft tot zijn dood aan het Mastpad gewoond, moeder is daar nog gebleven en later – begin jaren ’80 uit huis gegaan. Mijn zus is als eerste vertrokken, toen mijn broer, toen ik, daarna andere broer, de jongste broer was er nog even en mijn jongste zus was de laatste die vertrok. Ik kwam later nog met mijn kinderen bij hun oma op bezoek. Ze konden haar heel slecht verstaan, want ze sprak nog deels Indonesisch en verhaspelde woorden. En jee, wat was het eigenlijk klein daar.“
Verplicht rechts schrijven
“Ik zat op een kleuterschool in de Krommestraat, die zat in een souterrain. Wij liepen naar de school, langs de COVA, het spoor over naar de Krommestraat. Later heb ik op de St Jorisschool gezeten. Daar moesten we ook bidden. Iedereen uit onze buurt ging naar de kerk. Mijn vader kreeg ruzie daar. Toen was het afgelopen. Ik ben linkshandig, maar ik moest rechts gaan schrijven. Dat lukte niet, ben blijven zitten. Later op de Wellingschool bij het Moerasje, mocht ik weer links schrijven. Mijn handschrift is nooit meer goed geweest. Op de LTS op de Leusderweg heb ik de meubelmaker opleiding gedaan. Ik vond hout erg leuk. Daar was ik handig in. Via via ben ik in de interieurinrichting terecht gekomen. Ik zat in militaire dienst, bij de parate hap, bij de luchtmacht. Ik woonde toen nog thuis. Ik had zwarte haren en donkere ogen, deed judo, werd daar als “bol” niet “afgezeken”. De sport heeft me altijd kracht gegeven. Op mijn 25e ben ik uit huis gegaan. Ik kende mijn vrouw al uit de militaire dienst. We waren ingeschreven bij de gemeente en kregen een flat aangeboden. Daar zijn we gebleven tot er kinderen kwamen. We gingen naar koophuizen kijken. Dat werd ons huidige huis in Hoogland, nu al 45 jaar.”
Altijd buiten spelen
“Alle jongens in de buurt waren vriendjes, we deden veel samen. Voetbal en katrikken, een spel met stokjes. Als kind heb ik de wijk altijd heel leuk gevonden. Na het eten kwam iedereen naar buiten. Dan werd er gefloten en moest je naar binnen. Verhalen luisteren op de radio en dan naar bed. Er waren meer gezinnen met veel kinderen. We leefden eigenlijk allemaal een beetje ons eigen leven thuis. Buiten had ik naar mijn zin, maar thuis niet zo. De buurt veranderde door de garages. Vroeger was er gemeentegroen, grasveld en struiken, daar mocht je niet in spelen. Vaak kwam de ‘bloemenpik’ langs, een soort ambtenaar in een zwart pakje op een bromfiets, dan moest je uit die struiken. We speelden er toch. Aan de Eem stond een treurwilg, aan de takken kon je over het water slingeren. Maar ik kon niet zwemmen. Mijn broertje, toen een jaar of 2-3, liep langs de kant en rolde van talud af en verdronk. Iemand sprong nog in het water, maar ze konden hem niet meer redden. Het leven ging daarna weer gewoon verder. Zo was dat toen.”
“Mijn vader was best handig, hij repareerde bijvoorbeeld onze schoenen. Hij repareerde van alles, hij maakte fietsen van oude onderdelen. Ook de spaken. Mijn moeder maakte zelf kleding. Ik kreeg dan de kleding van mijn oudere broer. Als je groeide maakte ze de kol van een koltrui langer, dan kon ik hem nog steeds aan. En ik droeg zo’n prikkende borstrok. We kenden geen luxe dingen. Ik kreeg een keer van de vader van een vriendje een zakje chips, met zout, dat kende ik ook niet.
TV-kijken in Jeruzalem
"Ik herinner me geen buurtfeesten. Ik voelde wel een soort wijkgevoel met al mijn vriendjes. Soms kwamen er jongens uit een andere buurt. Die vonden het bij ons best leuk. Voor anderen, zoals voor mijn vrouw, die mocht vroeger niet hier in de buurt komen: te onveilig. Wij hadden vroeger allemaal tuintjes, het zag er netjes uit. Allemaal gezinnen, met een voor- en achtertuin, hartstikke leuk. Het ziet er nu wel een stuk treuriger uit. Het industrieterrein de Isselt was er nog niet, wel opgespoten zand. Daar kon je fijn spelen. Ik vond daar ooit een keer een heel grote kool, die ging later de kachel in. We kwamen niet in Jeruzalem, alleen wel was er iemand daar met een televisie waar we dan gingen kijken. Met alle kinderen op een rijtje.”

“We wisten dat het noodwoningen waren in Jericho. We woonden naast iemand die de huizen nog gebouwd had. Die wist dat ze afgebroken zouden worden. Ik kan me wel voorstellen dat mensen er nu tegen zijn. Als ik in de stad kom en ik zie een vroegere buurtgenoot dan is het altijd weer goed en halen we herinneringen op. Het was een mooie tijd.”